… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / De regeering tegenover de Jong-Turken en de Armeniërs
Middelburgsche Courant, 5 december 1899
Bron: Delpher
De regeering tegenover de Jong-Turken en de Armeniërs
Er is over die kwestie, bekend uit de dagen
der Vredesconferentie, zooveel geschreven en
gezegd dat onjuist was; en er zijn tevens
over het beleid der regeering tegenover het
buitenland zoovele onjuistheden de wereld ingezonden,
dat wij het nuttig en noodig achten
onder de oogen onzer lezers te brengen wat
de premier, de minister Pierson, Vrijdag in
de Tweede kamer heeft gezegd, in antwoord
op de door verschillende sprekers, vooral dr.
Kuyper, gemaakte opmerkingen.
Volgens de Handelingen dan zeide de minister van financiën:
Ik geloof het eenvoudigste en beste te doen
met een kort en getrouw verhaal te geven wat
hetgeen werkelijk is voorgevallen. Ten eerste
dan wat Minas Tcheraz betreft.
Men zegt ten onrechte, dat hem zou zijn
belet een lezing met lichtbeelden te houden in
een bijeenkomst van een Christelijke
Jongelingsvereeniging. Er is dit gebeurd. Geheel
uit eigen beweging is de politie, bepaaldelijk
een inspecteur van politie, gekomen bij het
bestuur dier vereeniging. Hij moet gezegd
hebben: zoudt gij die lezing wel toelaten, past
dat wel in uw kader, weet gij wel dat er
misschien woorden kunnen gesproken worden
die kwetsend zullen zijn voor de een of andere
buitenlandsche Mogendheid, waardoor mogelijk
overtreden wordt deze of gene bepaling van
de Strafwet? Het bestuur dier Jongelingsvereeniging
is volstrekt niet bang gemaakt; haar
is niets verboden, noch namens de politie, allerminst
namens de Regeering; maar het bestuur dier vereeniging
is, na het u medegedeelde gesprek, tot het besluit
gekomen dat het beter was deze lezing niet te laten
doorgaan. Het is gegaan naar den heer Minas Tcheraz en
heeft hem daarvan kennis gegeven.
Indien nu deze man inderdaad was datgene
waarvoor de heer Kuyper hem houdt, een zeer
serieus man (waarvoor ik hem niet houd en op
goede gronden), zou hij een andere zaal gezocht
hebben: er zijn in Den Haag zalen genoeg. Had
hij dan gestuit op dezelfde moeilijkheden, dan
had hij lont kunnen ruiken en kunnen gaan
naar een hoogere of lagere autoriteit om te
zien of er werkelijk wat achter school. Hij
heeft dat echter niet gedaan, maar is onmiddellijk
luide gaan verkondigen, aan iedereen die
het hooren wilde, dat hij verhinderd was door
een verbod van de politie om zijn lezing te
houden, en dat dit verbod gegeven was op last
van de Regeering.
Datgene wat de heer Kuyper heden morgen
heeft voorgelezen kende ik reeds, want het
staat afgedrukt in 's mans eigen blad l'Arménie.
Ik kan daarvan echter de positieve onwaarheid
constateeren, want wij weten het tegenovergestelde,
uit een brief, dien ik hier voor mij heb,
van een van de bestuursleden der bedoelde
Christelijke Jongelingsvereeniging.
Op de vraag, of Minas Tcheraz dan gelogen
heeft, moet ik eenvoudig bevestigend antwoorden.
En wanneer de geachte afgevaardigde
zou willen zeggen: dat verbaast mij van
Minas Tcheraz, dan zou ik hem dit willen antvoorden:
spreekt die verbazing niet al te
luide uit, ik heb een dossier voor mij, waaruit
ik het een en ander omtrent Minas Tcheraz
aan het licht zou kunnen brengen, en of dit
nu aan den geachten afgevaardigde volkomen
aangenaam zou zijn, betwijfel ik zeer. Ik heb
twee couranten voor mij, waarin 's heeren
Kuypers's eigen portret voorkomt, en in een
waarvan hij tamelijk ridicuul is gemaakt; iets
wat mij bepaaldelijk heeft gehinderd, want
wanneer een man, die achting verdient, zooals
de heer Kuyper, bespottelijk wordt gemaakt,
dan heb ik afkeer van den persoon die dat
doet. Maar ik heb er ook een afkeer van om
zoo iets hier te laten zien. Laten wij dus verder
Minas Tcheraz, wat zijn persoon betreft,
met rust; maar indien de geachte spreker een
les wil aanvaarden van het hoofd eener
regeering die hem niet in alle opzichten
sympathiek is, dan zou het deze zijn, dat men
moet oppassen met vreemdelingen en vooral
met Armeniërs.
Was het goed wat de politie gedaan heeft?
Neen, zeer zeker niet. De politie had niet het
minste recht om te handelen zooals zij gedaan
heeft. Zij had dit dus niet moeten doen. Maar
wat mij verbaast is dit, dat, toen een en ander
bekend gemaakt werd, het door iedereen werd
geloofd. Men is tegenwoordig in een tijd van
goedgeloovigheid; men schijnt er geen flauw
begrip van te hebben dat een dergelijk bericht
onjuist kan zijn. Vermakelijk, in dit opzicht,
is het onlangs verspreide verhaal omtrent
de Koninklijke kapel. Er was geen spoor van
waarheid of waarschijnlijkheid aan, maar zoodra
was het niet in een courant gepubliceerd
of dadelijk werd het algemeen geloofd. Men
gelooft eenvoudig alles wat maar gepubliceerd
wordt. En in het geval van Tcheraz had men
wel bijzondere reden om te gelooven wat bericht werd,
want – niet waar? – in deze
regeering zitten louter reactionnaire mannen,
die niet de allerminste sympathie gevoelen voor
vrijheid, wier antecedenten er op wijzen dat
zij autocratisch zijn van nature! Welnu, niemand
heeft er aan gedacht om eenige inlichtingen
te vragen omtrent de waarheid van het verhaal
omtrent Tcheraz. Er werd zelfs aan toegevoegd,
dat de Turksche regeering er achter
zat. Ik heb ergens gelezen, dat op een receptie
de minister van buitenlandsche zaken een lang
gesprek gevoerd heeft in den hoek van de
zaal met den Turkschen gezant, en men wist
nu met zekerheid wat tusschen die beide besproken
was: dat sloeg alles op Minaz Tcheraz;
de zaak werd toen voorbereid, ja er zat eigenlijk
een ridderorde achter, die in het verschiet
was gesteld.
Vraagt men nu welken indruk dit alles op
de Regeering gemaakt heeft, die spotprenten,
die redevoeringen met die krasse uitdrukkingen?
Kras waren zij! De heer Kuyper
heeft een opsomming willen geven van "ergerlijke
feiten", die verleden zomer zouden hebben
plaats gegrepen. Zijn opsomming had daarmede
kunnen worden uitgebreid. Maar als
men een eerlijk geweten heeft, kan men veel
verdragen, omdat men toch weet dat later de volle
waarheid aan het licht zal komen. En
dat is nu gebenrd.
Hiermede meen ik over hetgeen Minas
Tcheraz betreft het noodige gezegd te hebben.
Met betrekking tot hem deed de Regeering
vooraf niets; doch ten aanzien van Ahmed Rhiza
Bey – deze man mag met Minas Tcheraz niet
op één lijn gesteld worden – is zij in
tijds actief opgetreden.
De Minister van Justitie heeft uitdrukkelijk
aan den procureur-generaal gezegd dat wanneer
gesproken zou worden in strijd met de
Strafwet, de politie proces-verbaal zou opmaken;
niets meer.
De politie wist dat het de wensch der
Regeering was dat er geen belemmering zou
geschieden. De inspecteur van politie, die bij
Riza Bey geweest is, heeft hem dan ook uitdrukkelijk
gezegd, dat er geen quaestie van
was, zijn optreden te willen verhinderen.
Daarover kan hij dus niet in onzekerheid
verkeerd hebben. De Regeering heeft echter
één enorme fout begaan. Het is namelijk niet
in haar phantasie opgekomen, dat de inspecteur
van politie aan Ahmed Rhiza zou kunnen
vragen, hoeveel geld hij in zijn portemonnaie had!
Wil men deswege een motie van afkeuring
tot de Regeering richten, dan zou men dit
met goed gevolg kunnen doen; hier moet zij
een peccavi uitspreken. Maar in allen ernst:
kon de Regeering zoo iets rederlijkerwijze verwachten,
nadat zij in het algemeen te kennen
had gegeven, hoe men zich tegenover Rhiza
Bey te gedragen had?
Nu eene andere zijde van het vraagstuk.
De heer Lohman vraagt, of het niet al te
sterk is wat in de Memorie van Beantwoording over de
politie gezegd wordt. Neen; wij
wilden niet te veel en niet te weinig zeggen;
onze woorden zijn gewikt en gewogen. Men
heeft hier niet te doen met een verkeerde
daad van de politie, maar toch wel met overdreven
dienstijver harerzijds. Zij had niet naar
die jongelieden moeten gaan, alvorens eerst
aan de Regeering te vragen of daartoe aanleiding
bestond; zij had allerminst Rhiza Bey
moeten vragen zijn geld te toonen; maar deze
handelwijze in scherpe bewoordingen af te
keuren, daarvoor bestond geen reden, omdat
er niets gebeurd is wat in strijd met de wet
is; wèl in strijd met de gebruiken en de goede
regels.
Wat het parket betreft, dit heeft gehandeld
in overeenstemming met den wensch van den
Minister van Justitie. Dat moest ook gebeuren.
Wanneer er geen aanleiding toe bestaat,
gaat men dergelijke zaken niet vervolgen of
zelfs instrueeren. Als de justitie van alle
kleinigheden kennis wilde nemen, zou zij handen
vol werk hebben. Maar er is, naar aanleiding
van het door de heeren Van Kol en
Rhiza Bey gesprokene, een officieele klacht ingekomen,
en daarna is op last van den Minister
van Justitie natuurlijk een onderzoek ingesteld.
Toen is gebleken, dat er geen reden bestond
om tot vervolging over te gaan. Het is bij
een onderzoek gebleven.
In het voorbijgaan nog een opmerking over
de uitdrukking van den heer Kuyper, dat het
recht van kritiek vrij en onverlet moet blijven.
Ik geef dat toe, maar er bestaat verschil tusschen
het uitoefenen van kritiek en het
smaden of honen in strijd met de Strafwet; en
dat laatste mag door een Regeering niet met
toegeeflijkheid worden aangezien.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

