… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Pro Rumenië
Nieuw Israelietisch Weekblad, 25 juli 1902
Bron: Delpher
Pro Rumenië
Door vriendelijke hand ontvingen wij: "Die
Judenfrage in Rumäniën. Eine Acktensammlung
vorgelegt dem Brüsseler Congress "Pro
Armenia" vom 17 und 18 Juli 1902."
De inhoud dezer brochure is belangrijk genoeg,
om ons de moeite te getroosten, het
voornaamste daarvan ter kennisse van onze
lezers te brengen. Vooraan gaat een open
brief aan mevrouw barones Bertha von Suttner,
die onder de leuze "Pro Armenia" appelleert
aan de publieke opinie voor de verdrukte
Armeniërs. Dat is goed. Immers, wanneer
een weerlooze minderheid wordt vervolgd, is
dat veel erger dan in een open strijd, hoe
verschrikkelijk die ook is, zij, die gelijke
rechten hebben, hun krachten tegen elkander
meten. Voor die verdrukte en vervolgde minderheid
moet de publieke opinie van alle volkeren
haar aanklagende en waarschuwende
stem doen hooren. Zoo verdienstelijk het optreden
van mevr. de barones Bertha von
Suttner voor de Armeniërs is, zoo moet het
hun, die dat optreden onbevangen gadeslaat,
verwonderen, dat de Christelijke wereld en in
het bijzonder mevr. von Suttner onopgemerkt
voorbijgaat een groot onrecht, een veel afschuwelijker
wetsverkrachting, een veel ontzettender
gruwelstuk. Het schijnt bijna alsof
opzettelijk de oogen niet willen zien; de ooren
opzettelijk niet willen hooren.
Het is waar, het geldt daar slechts Joden;
Rumeensche Joden! In dat land, dat nog voor
weinige tientallen jaren zelf om zijn vrijheid
heeft gestreden; dat de herinnering aan hetgeen
het geduld heeft, en dankbaarheid voor hetgeen
het verkregen heeft, tot grootmoedigheid moest
aansporen, worden dagelijks misdadige onmenschelijkheden
bedreven. Zeker is de
"internationale Gemeinschaft der Geister und
Herzen", waarvan mevrouw de barones Bertha
von Suttner spreekt, berekend tot afweer op
te wekken.
Maar daar wordt niemand gevonden, die ten
strijde roept.
En toch is zelden een meer onmenschelijke
en laffer verdelgingsoorlog gevoerd geworden,
dan in Rumenië tegen de Joden. Onmenschelijk,
omdat die doelbewust en duivelsch voortwerkt
aan de vernietiging en uitrotting der
weerloozen; laf, omdat die huichelachtig zich
tracht te omhullen met een schijn van wet
en liberalisme.
De berichten, welke van deze gekwelden en
vervolgden tot de openbaarhetd doordringen,
zijn hartverscheurend en hun smeeken om
hulp diep in de ziel treffend.
Hun lijden is verschrikkelijker en de mishandelingen,
waaraan zij blootstaan zijn erger,
dan die, welke de Armeniërs van de Turken
te verdragen hebben. Want de Joden stellen
volstrekt geen enkel der eischen, welke door
de Armeniërs worden geproclameerd. Hun
droom is niet een eigen staat aan den beneden-Donau
te stichten; zij vormen niet en willen
ook niet vormen een revolutionair element in
het land, dat samenzweert tegen het leven der
vorsten; dat wil banken plunderen; geen
element, dat al die voorwendsels en aanleidingen
tot vijandelijkheden biedt, zooals de
Armeniërs zoo dikwijls doen. Deze Joden
willen niets als een weinig mogelijkheid, om
te leven; iets van de burgerlijke vrijheid, welke
hun zoo dikwijls is beloofd en in volksverdragen
is gewaarborgd, en waardoor zij zoo
oneindig veel geduld gedragen hebben.
Maar men spot met alles, wat in verdragen
ten gunste van hen staat, en hoopt steeds
nieuw ongeluk en nieuw onrecht op de oude
kwellingen.
Daar moest toch gij, mevr. de barones, als
Christin, als menschenvriendin, als vrouw en
als representante van het groote vredesdenkbeeld
uw stem ten gunste der onderdrukten
verheffen, en allen, die de macht, het recht
en den plicht daartoe hebben, aansporen, om
een gebiedend halt te doen hooren.
Als Christin zult gij het brandend verlangen hebben,
den smaad van den Christelijken naam
af te wasschen, dat een Christelijke staat, constitutioneel
geregeerd, verschrikkelijker en
onbarmhartiger tegen niet-Christenen optreedt,
dan zelfs de Turken tegen de Christenen doen.
En op hetzelfde congres, waarop gij het barbarisme
der Turken geeselt, ja, nog voordat
gij het tot hulp voor de Armenische Christenen
oproept, moest gij vertolken voor de weldenkende
congresleden te Brussel de klachten der
Rumeensche Joden en protesteeren tegen de
kwellingvolle verdrukkingen, welke de Rumeensche
Joden van Christenen te verdragen
hebben.
En niet enkel tegen het optreden van
Rumenië moest gij, mevrouw de barones,
protesteeren, maar gij moest u ook wenden
tot al die groote mogendheden van Europa,
die door het zwijgend toestaan, door 't stille
dulden, dat steeds wordt geschonden art. 41
van het verdrag te Berlijn, dat toch door die
mogendheden is gewaarborgd, deel hebben aan
den bloedschuld van Rumenië. Tot die allen
moest gij u wenden; haar opmerkzaam maken
op haar verantwoordelijkheid; haar uitnoodigen,
om te helpen.
Deze taak hebt gij, en zij is uwer waardig.
Het moest toch voor uw menschelijk hart een
schoon en aanlokkend doel zijn; het moest
uw bewonderenswaardige kracht, om te handelen
en uw vreugde, om te arbeiden doen
stijgen en verhoogen, dat volk, dat de denkbeelden
van humaniteit en de heiligheid der
gastvriendschap, de onschendbaarheid van het
vreemdelingsrecht het eerst gecultiveerd en
gepredikt heeft; dat volk, dat het eerst sprak
van een periode, waarin men het ijzer van het
zwaard tot ploegschaar zou smeden, door uw
woord, en door uw inslaan met geheel uw
persoonlijkheid, een weinig te verlichten van
den zwaren druk, waaronder het sedert eeuwen
zucht.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

