Naast de talloze geschreven verslagen van buitenlandse waarnemers bestaat er ook het nodige fotomateriaal. De vele foto's die ondanks de tegenwerking van de Ottomaanse overheid toch naar buiten zijn gekomen laten niets aan de verbeelding over. Vooral de foto's die de Duitse legerofficier Armin T. Wegner in 1915-1916 gemaakt heeft leveren een belangrijke bijdrage.
Voor de Eerste Wereldoorlog –
Tussen 1894 en 1896 en in 1909 hebben grootschalige en zeer geweldadige pogroms tegen de Armeniërs in Oost-Anatolië al veel slachtoffers geeist. Zij vormen de voorbode van de eigenlijke genocide tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog –
De daadwerkelijke genocide op de Armeniërs heeft voornamelijk in 1915 en 1916 plaatsgevonden. Armin T. wegner heeft in deze tijd de meeste foto's kunnen maken dankzij de bewegingsvrijheid die hij als Duits legerofficier genoot.
Na de Eerste Wereldoorlog –
Het enorme vluchtelingenprobleem, het voedseltekort, ziektes en de onafhankelijkheidsoorlog tussen de nieuw gevormde republiek Armenië en de Turkse opstandelingen van Kemal Pasja vormde een nieuwe humanitaire ramp.
Near East Relief –
Deze Amerikaanse organisatie, mede opgericht door Henry Morgenthau, de ambassadeur van de VS in het Ottomaanse Rijk, gaf van 1915 tot 1930 hulp aan vluchte- lingen en weeskinderen. Het Near East Relief heeft meer dan 130.000 Armeniërs gered.
Weduwen uit Moesj –
Portretten die de Duitse missionaris B. von Dobbeler in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog maakte van Armeense weduwen uit Moesj. De foto's geven een goed beeld van de omstandigheden waaronder de meeste Armeniërs in Oost-Anatolië leefden.