… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Ook een oordeel over de Armeniërs
Algemeen Handelsblad, 12 juli 1899
Bron: Delpher
Ook een oordeel over de Armeniërs
Het volgende staaltje van onwetendheid
lazen wij in het weekoverzicht van den heer
H.G. Bartelds in het Soer. Hbld.:
"Dat de minister gemeend heeft niet te moeten
toelaten dat in ons land het Armenisch comité
zijn opruiingswerk voortzet, valt overigens volkomen te
billijken. Het is nu voldoende gebleken welke waarde
aan de Armenische beweging van eenige jaren geleden,
toen wij allen meer of minder dupe zijn geworden
van eenige handige samenzweerders, moet worden
gehecht. Al zijn de Armeniërs onze geloofigenooten,
zij staan nog niet op een veel hoogeren trap van
beschaving dan de Turksche bevolking, die hen omringt,
en kunnen met het Turksche bestuur tevreden
zijn. Worden zij onderdrukt en staan zij op, bevechten
zij hunne onafhankelijkheid, dan is dat een mooi ding,
maar de groote massa van het volk denkt daaraan niet.
De geheele beweging is uitgegaan en wordt geleid
door eenige geslepen eerzuchtigen, die uit de ellende
waarin hun optreden hunne landgenooten brengt, niet
enkel de bevrediging hunner eerzucht, maar ook van
hunne geldzucht hebben trachten te kloppen en hetzelfde
spelletje gaarne nog eens herhaald zouden zien.
Of zij thans dezelfde sympathie als vroeger zullen
vinden, kan gelukkig worden betwijfeld".
Als deze knappe hoofdredacteur de Hollandsche bladen
van deze dagen krijgt, zal
hij toch raar opkijken. Wanneer het niet zulk
een hoogst ernstige en treurige zaak betrof
dan zou het hierboven geciteerde belachelijk
zijn. Nu is het ergerlijk. Want er is inderdaad,
blijkens de rapporten der mogendheden, toch
nog meer bloed van Armeniërs gevloeid dan
wijsheid uit 's heeren Bartelds' pen.
De heer Minas Tchéraz zal te dezen opzichte wel
aan het citaat van prof. Kuyper
willen denken: "Vergeef het hem, want hij
weet niet wat hij doet."
Wij echter wijzen op dit dwaze stukje nog
om een andere reden.
Als men in Nederland, belangstelling toonend voor
Indië, den Indischen heeren niet
naar den mond praat, dan heet het dat men
in Nederland niets van Indië af weet.
Doch wat sommige voorlichters van het
Indische publiek afweten van de groote
vraagstukken buiten hun naaste omgeving,
blijkt uit het bovenstaande weer eens
recht duidelijk.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

