… / Nederland / Nederlandse pers / 1894–1898 / Buitenlandsch Overzicht
Algemeen Handelsblad, 18 december 1894
Bron: Delpher
Buitenlandsch Overzicht
Heeft de Engelsche regeering een échec geleden
met haar voorstel tot tusschenkomst
der groote mogendheden in den oorlog tusschen
China en Japan, beter schijnen hare pogingen
te slagen om een onpartijdig en onafhankelijk
onderzoek der gruwelen in Armenië te verkrijgen.
Volgens een telegram aan de Engelsche
bladen heeft de Porte goedgevonden, dat
de Britsche, Russische en Fransche consuls
te Erzerum de commissie van onderzoek zullen
vergezellen.
Dit besluit der Turksche regeering is niet
alleen van belang omdat het de onpartijdigheid
van het onderzoek waarborgt, maar wordt
in diplomatieke kringen te Konstantinopel
tevens opgevat als eene aanduiding, dat de
drie genoemde rijken ten opzichte van Armenische
zaken eensgezind zijn. Het is de groote
vraag of nu ook in het vervolg de mogendheden
ten opzichte der Oostersche quaestie in het
algemeen anders gegroepeerd zullen zijn dan
tot dusver. Zou Rusland, dat in zijn belustheid
op het bezit van den Bosporus tot nog
toe – naar het heette – slechts in toom gehouden
werd door Oostenrijk, Frankrijk en
Engeland, nu inderdaad voortaan aan dezelfde
zijde staan als de beide laatstgenoemde mogendheden?
Uit Konstantinopel wordt bericht
dan men het daar gelooft. Hoe lang echter?
Hedenmorgen ontvingen wij door bemiddeling
van den consul-generaal van Turkije
alhier de volgende mededeeling van het
Turksche ministerie van buitenlandsche zaken
aangaande de onlusten in Armenië:
"De mededeelingen door de Armenische onruststokers
aangaande de voorvallen te Talori in de
Europeesche pers verspreid, zijn stellig niet in
overinstemming met de waarheid.
Het zijn niet de Muzelmannen, die de Armeniërs
aanvielen, maar wel deze laatsten die vreeselijke
misdaden pleegden door Muzelmaansche dorpen te
verwoesten, een Muzelman levend te verbranden en
vrouwen en kinderen aan de schandelijkste daden
prijs te geven.
Dank zij dan ook den afdoenden maatregelen door
de keizerlijke regeering genomen, is de orde hersteld
en zijn de hoofdschuldigen gearresteerd.
Dat de Armeniërs de aanvallers waren, blijkt niet
alleen uit de onwederlegbare bewijzen, in handen der
regeering, maar ook door de bekentenissen van de
in hechtenis zijnde onluststoker... bij hun verhoor
afgelegd.
Eene commissie om naar het voorgevallene een
onderzoek in te stellen is op het punt zich naar
Armenië te begeven en bestaat uit den
divisie-generaal Abdoullah Pacha, aide de camp van
Z.M. den Sultan, den directeur van de spaarbank Eumer
Bey, den eerste-secretaris van het bureau van
buitenlandsche correspondentie aan het ministerie van
binnenlandsche zaken Medjia Effendi, en den
brigade-generaal van den generalen staf Hafiz Tevfik."
Uit deze mededeeling leert men, dat de
Turksche regeering niet alleen den Armeniërs
de schuld geeft van het voorgevallene, maar
bovendien verklaart, dat het niet de Muzelmannen,
maar de Armeniërs zijn die de gruwelen
hebben gepleegd. Deze verklaring is
dus lijnrecht in strijd met de lezing, welke
de Engelsche bladen van de gebeurtenissen
gegeven hebben. Eerst wanneer het rapport
der Turksche commissie plus dat van de
Engelsch-Russisch-Fransche consuls bekend
is, zal men kunnen nagaan welke der beide
lezingen aan de werkelijkheid het meest nabij
komt.
Hoe het zij, in de Armenische quaestie heeft
men eenig uitzicht op een onpartijdig onderzoek.
De groote vraag is echter: Hoe moet
de commssie hare taak opvatten? Moet zij
alleen nagaan of de ergerlijke buitensporigheden,
waarvan de verschillende berichten gewaagden,
in haar vollen omvang hebben plaats
gegrepen? Of moet zij ook een rapport uitbrengen
over de tegenwoordige positie der
Armeniërs?
De Times verlangt, dat de commissie haar
Onderzoek zal uitbreiden tot den geheelen toestand
der Armeniërs. Het blad haalt de volgende
opmerkingen aan, die de voorzitter van het bekende
Instituut voor Internationaal Recht, de
heer Rolin-Jaequemyns, in 1891 schreef in de
Revue de droit International:
"De vraag is of nu, meer dan vroeger, de Turksche
regeering heeft getracht het lot den Armeniërs te
verbeteren, of zij hen in staat heeft gesteld zich een
menschwaardiger bestaan te verschaffen; de tarwe
bijv. welke zij gezaaid hebben, te oogsten; of zij zorg
heeft gedragen dat zij niet langer blootgesteld bleven
aan de rooftochten van barbaarsche horden, niet
langer verdrukt worden door hunne Aga's en Bey's,
niet langer te lijden hebben van de schraapzucht van
inhalige bestuurders en oneerlijke overheden. De
vraag is of de verklaringen der Armeniërs voor
de rechtbanken gelijk gesteld zijn met die der
Mahomedanen of maatregelen zijn genomen om een eind
te maken aan de buitensporige centralisatie die de
levenskrachten der provincie verlamt en hare
hulpbronnen uitput, die ontmoediging van welgezinden
en belooning voor slechte overheden ten
gevolge heeft."
Dit alles, meent de Times, behoort de tegenwoordige
commissie te onderzoeken.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

