… / Nederland / Nederlandse pers / 1915–1918 / Hulp voor het Armenische volk
De Tijd, 13 september 1917
Bron: Delpher
Hulp voor het Armenische volk
Door het Comité tot leniging van den nood
in Armenië, hetwelk zich gevormd heeft onder
voorzitterschap van den oud-minister mr. A.
v. Gijn, en waarin o.m. zitting hebben jhr. mr.
P.J.J.S.M. van der Does de Willebois, te
's Hertogenbosch, en jhr. mr. Ch. Ruys de Beerenbrouck,
te Maastricht, is een circulaire verzonden,
waarin zij o.m. zeggen:
Van alle volkeren, die in den wereldoorlog
betrokken zijn, heeft geen enkel deel naar verhouding
zoo zwaar geleden als het Armenische
volk. Ofschoon het met de oorzaken van den
oorlog niets had uit te staan, noch ook in belangrijke
mate bij de eigenlijke oorlogvoering betrokken was,
heeft het in den loop van den
oorlog de helft van zijn onder Turksche heerschappij
levende mannen, vrouwen en kinderen
verloren.
Het Armenische volk telde vóór den oorlog
ongeveer 3.600.000 zielen, waarvan de grootste
helft in Turkije, de kleinste helft in Rusland woonde.
In het voorjaar van 1915 werd het bevel uitgevaardigd,
dat alle Armeniërs uit Hoog-Armenië,
Ciliciën, West-Anatolië en Mesopotamië
naar elders zouden worden overgebracht.
Wat beteekende deze deportatie nu in werkelijkheid
voor de bevolking? Naar het voorgeven
van de autoriteiten een vreedzame en
ordelijke verhuizing naar hare nieuwe woonplaatsen,
in waarheid echter: de roof van de
geheele have van het volk, het vermoorden
van het mannelijk deel der bevolking, het wegslepen
van de jonge vrouwen en meisjes naar
Turksche harems en koerdische dorpen, het
verkoopen van de kinderen op slavenmarkten
en het overleveren van de overigen, voor zoover
zij nog in leven zijn gebleven, aan een
langzamen dood door ziekte en honger. Slechts
wie tot den Islam overging kon leven en bezittingen
redden. Van de gedeporteerde massa
der bevolking zijn naar schatting 800.000 door
systematische slachting en uithongering omgekomen.
De rest van het Armenische volk in Klein-Azië
is een hongerlijdend bedelaarsvolk, in
hoofdzaak uit grijsaards, oudere vrouwen en
kinderen bestaande. Aan den rand van de
woestijn van Mesopotamië zijn groote troepen
van deze ongelukkigen in concentratiekampen
bijeen gedreven, waar honger en
ziekte het werk van de Turksche wapenen
voortzetten; andere zijn over Mohamedaansche
dorpen verdeeld, waar zij met bedelen hun
ellendig bestaan voortslepen. Het nog in leven
gebleven deel van de Turksch-Armenische bevolking
zal nog ongeveer 300.000 à 400.000
in getal zijn. Het aantal kinderen, dat van hun
naastbestaanden gescheiden, op de karavanenwegen
is blijven liggen en in de steden, welke men
voorbijgekomen is, als honden rondloopt, loopt
tot in de tienduizenden. Het bloeiende schoolwezen
der Armeniërs met meer dan 130.000
leerlingen, bestaat niet meer; meer dan 1000
christelijke kerken staan leeg of zijn in moskeeën
veranderd.
Zonder schroom kan worden gezegd, dat
hetgeen hier aan een geheel volk is overkomen,
in verscheidene voorafgaande eeuwen
zijn wedergade niet vindt. Het is nauwelijks te
gelooven, dat in de twintigste eeuw de uitroeiing
van nagenoeg een geheel volk onder
zoo ontzettende omstandigheden op onzen
aardbodem nog mogelijk was. Doch alleszins
geloofwaardige getuigenissen van neutrale
consulaire ambtenaren, van Duitsche en Zwitsersche
hoofden en ondergeschikten van zending
en onderwijs zijn bij boekdeelen aanwezig
en nemen allen twijfel weg.
Niet twijfelende of het bovenstaande, voor
welks juistheid de leden van het Uitvoerend
Comité, na kennisneming van talrijke
geschriften en rapporten, durven in te staan, u aanleiding
zal geven een bedrag voor de instandhouding
van het Armenische volk af te zonderen,
noodigen de ondergeteekenden U uit bijgaand
inschrijvingsbiljet aan een van hen te doen toekomen.
Aan de bij de circulaire gevoegde bijlagen
ontleenen wij nog:
Iemand, behoorende tot een neutrale natie
en voor wiens volstrekte betrouwbaarheid dr.
James L. Barton, voorzitter van het Amerikaansche
Hulpcomité, ten volle instaat, heeft
de volgende mededeelingen verstrekt omtrent
een reis, door hem gemaakt langs de verschillende
plaatsen, langs den Euphraat, waar een
aantal gedeporteerde Armeniërs, voor zoover
zij de reis overleefd hebben, geconcentreerd
zijn.
Van Meskene tot Deir es Sor zijn overal de
oevers van den Euphraat getuigen van dezelfde
afschuwelijkheden.
Meskene is door zijn geografische ligging
aan de grens van Syrië en Mesopotamië het
aangewezen concentratiepunt voor de gedeporteerden
uit de Anatolische districten, van waar
uit zij langs den Euphraat verdeeld worden. Zij
kwamen daar bij tienduizenden aan, maar het
grootste deel liet er ook het leven. De inlichtingen,
welke ik ter plaatse kreeg, geven mij
het recht te zeggen, dat er bij de 60.000 Armeniërs
begraven liggen, die aan honger, ontberingen,
typhus en dysenterie stierven. Zoover
het oog rijkt, zijn er grafheuvels, die elk twee
à driehonderd lijken bevatten, vrouwen, grijsaards en
kinderen van alle standen en familiën
door elkander. Thans zijn er nog 4400 Armeniërs
tusschen de stad en den Euphraat gelegerd.
Zij zijn slechts levende geraamten; hun
bewakers geven hun slechts een spaarzaam
stukje brood en het komt voor, dat zij in drie
dagen niets ontvangen. Een ontzettende dysenterie
heerscht er, die speciaal onder de kinderen
groote offers vergt. De ongelukkige kleinen
vallen tengevolge van hun honger op alles aan
wat zij zien; ze eten gras, aarde en zelfs uitwerpselen.
In een tent zag ik er vierhonderd
weeskinderen bijeen; zij moeten elken dag 150
gram brood krijgen, doch het komt voor, dat
zij soms twee of drie dagen zonder eenig voedsel
blijven. De sterfte is natuurlijk buitengemeen.
Ik kon vaststellen, dat de dysenterie er
in acht dagen zeventig wegrukte.
Te Abu Herera, het ongezondste oord der
woestijn, vertoeven op een heuvel 240 Armeniërs,
welke onder bewaking van twee gendarmen
honger lijden. Dicht bij de plaats, waar
mijn wagen ophield, zag ik vrouwen, die uit het
paardenvuil de weinige onverteerde gerstekorrels
bijeenzochten. Op het brood, dat ik ze
gaf, wierpen zij zich als uitgehongerde dieren,
zij verscheurden het met hunne tanden en toen
mijn aanwezigheid aan de anderen bekend was
geworden, stortte de geheele troep zich van
den heuvel mij tegemoet, smeekende om brood;
het waren alle vrouwen en kinderen; ik was
getuige van een feitelijken veldslag om het
brood, dat ik geven kon.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

