… / Nederland / Nederlandse pers / 1919–1923 / De Nood der Armenische Christenen
De Tijd, 25 augustus 1919
Bron: Delpher
De Nood der Armenische Christenen
ROME, 28 Juli 1919
31 Piazza S Nicola da Tolentino
Hoogwaardigste Monseigneur,
Te Rome aangekomen, neem ik eerbiedig
de vrijheid, aan Uwe Hoogwaardigste Excellentie
het volgende schrijven te zenden:
Reeds sedert vier maanden verblijf ik hier
Monseigneur. U kunt zich niet voorstellen,
in welke stemming ik hier ben aangekomen.
Ik houd mij bezig met de reorganisatie
onzer geliefde bisdommen in Armenië, welke
hopeloos geruïneerd zijn, ten
gevolge der jongste verschrikkelijke slachtingen
en der deportaties zonder voorbeeld
in de geschiedenis. Onze Armeensche soldaten werden
op de slagvelden afgemaakt op last der Turksche
militaire gezagdragers; onze grijsaards, mannen,
vrouwen, meisjes en kinderen, onteerd, bezweken
onder folteringen of stierven den hongerdood langs
schier onbegaanbare wegen, onder de slagen van
ijzeren tuchtroeden; een groot aantal werd
gewelddadig verdronken in de rivieren; bij
duizenden en duizenden zijn de anderen levend begraven.
Boekdeelen zouden noodig zijn, om de in de
geschiedenis ongehoorde wreedheden te beschrijven,
aan onze dierbare kinderen bedreven, welke zonder
eenige bescherming achterbleven. De menschelijke
natuur komt in opstand bij het aanhooren van de
misdaden, door de Muzelmannen en de ambtenaren
der regeering ten aanschouwen dezer kinderen
begaan, op het oogenblik dat dezen gemarteld werden.
In alle vlakten van Armenië kan men op het oogenblik
de doodsbeenderen zien liggen van onze landgenooten,
zonder mededoogen van hun leven beroofd. Meer dan
een millioen hunner werd vermoord, waarbij
zestigduizend onzer arme, trouwe Katholieken waren.
Een zeer groot aantal kinderen bevindt zich nog
in de harems der Turken, – hoezeer ware het te
wenschen, dat zij bevrijd werden.
Tengevolge dezer droeve gebeurtenissen heeft onze
hierarchie elf bisdommen verloren, meer dan twee
honderd kerken, honderd twintig priesters, acht
aartsbisschoppen en bisschoppen, vijf en vijftig
religieusen, die ten doode gemarteld werden in de
gevangenissen of gedurende de ontvoering. Honderden
scholen zijn aan de vlammen prijsgegeven of
vernield, benevens vele kloosters en pastorieën.
Het is een algemeene vernieling, noch te gelooven,
noch te verbeelden, en ik weet niet, hoe den
herbouw te beginnen.
Allereerst heb ik hier in alle Heiligdommen
gebeden opgezonden tot God. Vervolgens heb ik mijn
rapport aan den H. Vader aangeboden. Z.H. was
uiterst bedroefd over de ontzaglijke ramp, en heeft
mij veroorloofd, mijn toevlucht te nemen tot weldoeners.
Ten slotte heb ik van hier een aartsbisschop verzocht
naar Armenië te gaan om de geestelijke en
stoffelijke verwoestingen in oogenschouw te nemen.
Ik heb over het overschot van mijn missionarissen
beschikt, om – zij het onder ontberingen,
zonder geld en zonder levensmiddelen – uit te
trekken en bijeen te zoeken, wat nog rest van ons volk.
Monseigneur, deze beproeving, welke mij
op mijn hoogen leeftijd overviel, dreigt mij
te doen bezwijken. Reeds gedurende de jaren van den
wereldoorlog, toen deze onheilen over ons losbraken,
was iedere dag, ieder uur voor mij een dag en uur
van groote droefenis en rouw. Ik heb den vrede
verloren, de rust en de gezondheid.
Ach, tot wien moet ik mij wenden in deze
oogenblikken van zoo verschrikkelijke beproeving?
Al mijn vrienden en katholieke weldoeners in andere
landen zijn van hun fortuin beroofd; zij zelve
zitten in bekommernis om hun zaken te hervatten.
Zeker, ik berust in den Goddelijken Wil,
maar het is onmogelijk, onverschillig te
blijven. Ik weet, dat de Hand, die ons heeft
geslagen ons ook weer zal genezen; maar
zou men niet door droefheid worden overvallen,
wanneer men de vele en rijke Protestantsche
Amerikaansche steuncomité's
ziet, die, terwijl ik een beroep doe op
de liefdadigheid van mijn Vrienden en Weldoeners,
op het oogenblik onder de zielen
der bevolking van geheel Armenië zooveel
verwoestingen aanrichten. Ziedaar, wat mij
bitter en troosteloos doet weenen.
Daarom, Monseigneur, neem ik tot Uwe Excellentie
mijn toevlucht. Ik had het geluk Uw grootmoedig,
liefdevol en edelaardig hart te leeren kennen. Ik
ben reeds onmetelijk dankbaar jegens de beminnelijke
en offervaardige gastvrijheid van het dierbare
Holland. Ik houd mij overtuigd, dat het ook nu niet
in gebreke zal blijven bij den huidigen rampspoed,
waardoor mijn patriarchaat ditmaal zoo uitbundig
getroffen wordt en dat op mijn ouden dag. Geheel
ons katholiek Armenië, zoo wreedaardig
beproefd, en vooral onze arme geestelijkheid,
zoo innig aan den H. Stoel gehecht,
zal steeds dankbaar zijn jegens de onvergetelijke
liefde van Uwe Excellentie, van Uw waardige
Geestelijkheid en van Uw dierbare geloovigen.
Heb dus de groote goedheid, Monseigneur,
in Uw diocees een inschrijving te openen ten bate
van mijn patriarchaat, en gelieve de ingekomen gelden
rechtstreeks aan den H. stoel op te sturen met bestemming
voor ons Armenisch-Katholiek patriarchaat.
Indien Uwe Excellentie het noodig oordeelt,
kan ik eenige dagen overkomen; zoo niet, dan zou
in alle gevallen een eenvoudige, krachtige en
kostbare aanbeveling Uwerzijds
veel goeds uitwerken. Ik was tot dusver
huiverig U te schrijven, maar ik zie dat
ik er een gewetensplicht van moet maken,
op Uw edel en medelijdend hart een beroep
te doen.
Uw antwoord afwachtend, verzoek ik U.
Monseigneur, mijn diepe hoogachting en de
gevoelens mijner vurige dankbaarheid wel
te willen aanvaarden.
Van Uw Hoogwaardigste Excellentie,
de onderdanige dienaar in O.H.
† PAUL PIERRE XIII TERZIAN,
Patriarch der Armeniërs van Cllicië.
P.S. Ik verzoek U wel, mijn brief in de
katholieke bladen te doen opnemen.
† P.P. XIII.
Aan Zijne Hoogwaardigste Excellentie Monseigneur
HENRICUS VAN DE WETERING,
Aartsbisschop van Utrecht.
Het belangrijke schrijven, waarvan wij
hierboven een Nederlandsche vertaling gaven,
werd aan Zijn Doorluchtige Hoogwaardigheid
Mgr. den Aartsbisschop van
Utrecht in het Fransch gericht door Zijne
Excellentie den Patriarch der Armeniërs
van Cilicië, in gewone tijden resideerende
te Konstantinopel, doch thans tijdelijk in de
Eeuwige Stad vertoevende.
Men herinnert zich, dat langen tijd bij velen
in Europa twijfel heeft geheerscht over
de juistheid der verhalen van de schrikkelijke
massa-moorden onder de Armeniërs.
Zelfs een blad als "De Standaard" bestreed
die juistheid tegenover "De Nederlander",
zich daarbij beroepende op tendenzieuse
tegenspraken.
Thans komt het schrijven van den Armeenschen
patriarch de rapporten bevestigen,
reeds vroeger uitgebracht door Mgr.
Manna, bisschop van Van (Armenië) mede
over de slachtingen onder de Assyro-Chaldeeërs,
voorts door den Pater Lazarist
Abel Zayia, die de wreedheden aan het
licht bracht, door de Turken met name te
Ourmiah begaan, en door verscheiden missionarissen,
welke ooggetuigen waren van
de gruwelen in Cilicië.
Zoo ernstig als de Patriarch der Armeniërs
de uitroeiing der Katholieke Kerk
daar ginds schildert, heeft menigeen
zich die nauwelijks gedacht en kunnen
voorstellen. Ongetwijfeld zal het Katholieke
Nederland, ondanks zijn primeerende zorgen
voor de eigen en vreemde missiegebieden
en de leniging van zooveel geestelijke
en stoffelijke nooden in dezen tijd,
zijn liefdadige belangstelling niet onthouden
aan den allerergsten onder alle oorlogsgruwelen,
die hunne geloofsgenooten
in het Oosten te lijden hadden.
Zonder eenig verwijt, hoe gerechtigd het
ook geweest zou zijn, tegen de beulen van
Christen Armenië, doet Mgr. Terzian alleen
een beroep op de liefde en 't medelijden van
de Katholieke wereld, bewogen door den
wensch om op te bouwen, wat zoo wreedaardig
verwoest is. Mogen de wederliefde
en het mededoogen der Katholieken van
Nederland, die tijdens den oorlog hun noodlijdende
geloofsgenooten in Lithauen, Polen,
België enz, zoo edelmoedig hebben geholpen,
ook de smartelijke stem verstaan
van dezen zwaarbeproefden herder van het
Armenische Christenvolk.
Eene opwekking tot de inschrijving,
welke wij ten bate van de noodlijdende
Armenische Kerkprovincie in Cilicië openen,
zal dan ook, vertrouwen wij, onnoodig
zijn. Moge onze Administratie, die van
alle ingekomen gelden verantwoording zal
doen, vele groote en kleine giften te verrekenen
krijgen!
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

