… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Hoe lang moet die menschenslachting nog voortduren?
Tilburgsche Courant, 13 juli 1902
Bron: Delpher
Hoe lang moet die menschenslachting nog voortduren?
II. (Slot)
Wanneer wij de Armenische
gruwelen, met al haren droevigen
en onmenschelijken aankleve, onder
het oog onzer lezers brengen, dan
is het voorzeker ons doel niet het
azen op wreede en pikante tooneelen,
zooals dit de bedorven moderne
nieuwsgierigheid vraagt, in de
hand te werken, of te prikkelen;
dat moge de tendenz zijn van
gewetenlooze romanschrijvers, die maar
al te goed weten dat door het opdisschen
van eene lectuur doorspekt
met wreede en pikante voorstellingen
ook hunne zakken het beste
gespekt wordt. Zoo iets, we hoeven
het bijna niet te zeggen, zou een
Katholiek schrijver onwaardig en
een Katholiek priester dubbel onwaardig zijn.
Echter ons doel is en blijft de
afschuwelijke waarheid, volgens onze
bescheiden krachten, aan onze lezers
zooveel mogelijk te doen kennen,
opdat zij een krachtig protest aanteekenen
tegen al de laagheden die
hunne Armenische medebroeders
enkel om hunne godsdienstige overtuiging
van wreede en onmenschelijke
Turksche overweldigers moeten
ondergaan.
Dit algemeen protest moge tevens,
God geve het, leiden tot een gemeenzaam
overleg ten einde te
beletten dat onze ongelukkige Christelijke
medebroeders, wier eenige
misdaad is dat zij het Kruis en het
Evangelie getrouw blijven, niet geheel
en al worden geslacht en uitgemoord.
Opdat het een of ander vit- en
bedilzuchtig trottoirblaadje ons niet
met den minsten schijn van overdrijving
of charlatanisme zou beschuldigen,
willen wij de reeds aangehaalde Turksche
gruwelen nog met de volgende staaltjes aanvullen.
Monseigneur Charmetant publiceerde
onlangs in zijn "Oeuvre des
écoles d'Oriënt" een brief van eene
adellijke Belgische dame, die volgens
haar edelmoedig hart al hare krachten,
ja zelfs de laatste overblijfselen
van een groot fortuin heeft willen
besteden om die ongelukkige, gemartelde
medebroeders eene liefdadige
hand toe te steken.
Dit zijn haar eigen woorden:
Monseigneur,
Wat te doen voor het arme
Armenië?
Ik sta versteld over het laatste
bulletin.
De moorden duren altijd voort!
Zelfs die, welke beschreven zijn
door den bisschop van Mouck, doen
in niets onder voor de moordenarijen
van 1876 te Diarbekir, te Siras,
te Angera, en van 1897-1898 te
Van, kortom voor die overmaat van
gruwelen, welke voorkomen in uw
Martyrologium. Zelfs wat de bisschop
van Mouck schrijft gaat alles
te boven, als hij opsomt de schandalen
tegen de zeden, die oneindig
meer bij de lezing of de voorstelling
ervan doen lijden dan de vreeselijkste
der wreede martelingen der
Turksche beulen.
Zoo is dan alles te vergeefsch
geweest. Al uw geschrijf tegelijk
met dat van Gladstone, den hertog
van Westminister, Dillon, Mac Coll,
en sedert al die groote lui gezwegen
hebben, en al wat ik van mijn arm
Comblaim en van Szemered in
Hongarije en van Luik, en zelfs
van hier uit, aan brochures met
talrijke in den dubbelen zin des
woords bloedige onderstreepingen en
commentaren verspreid heb, en, de
zendingen zonder aantal aan alle
mogendheden van uwe brochures,
van uw Martyrologium en van uw
beroep voor uw stervend Armenië
op de gezanten en hoofden van
staten, met en benevens mijne
smeekschriften aan de voeten van
den Paus, en de onweerlegbare stukken
en de wraakroepende kreten,
welke, gij zoo groot en ik zoo gering
maar krachtig en vol ijver
voor dit werk, tot alle vorsten en
kanselarijen heb doen doordringen.
Alles te vergeefsch!
Niets, altijd niets dan voortzetting
van den triomf van het roode beest
en van de openbare en geheime
uitroeiingen, van de verkrachtingen
zoo talrijk, dat de bisschop van
Mouck heeft kunnen zeggen, sprekende
over de laatste gebeurtenissen
van deze streek: "Geen enkel jonge
dochter, neen, geen enkele, die aan
den ergsten smaad is ontsnapt."
En dit alles kwam men te weten,
eenige weken geleden, lang nadat
al die gruwelen hadden plaats gehad
in het volle licht van het
Oosten !
Helaas nu zie ik dat de moorden
en verkrachtingen en de uitdelging
van een volk in het duister der
Turksche gevangenissen en openlijk
te Constantinopel, en de gruwelijke
nachtelijke verdrinkingen in den
Bosphorus voortduren, te gelijk met
de stichting en bouwing van al die
tempels des gebeds en van al die
tempels van onderwijs en wetenschap,
die zich verheffen in de nieuwbekeerde
dorpen, terwijl de man, de
jonge dochter, het kind, de tempels
van den H. Geest door geen arm,
geen enkel wapen, zelfs geen enkel
woord meer verdedigd worden tegen
die schande en die vreeselijke
verkrachtingen; ik laat dan mijne
uitgeputte armen vallen, die sedert
zoo lang uitgestrekt zijn ten Hemel.
Hoelang nog Heer, zeide ik, hoelang
nog en wat wilt gij dat ik
doe?...
Denkt intusschen niet, dierbare
en eerbiedwaardige Vader dat ik twijfel
aan de goedheid van onzen God,
aan de aanbiddelijke en oneindige
teederheid van onzen Zaligmaker.
Maar wat moet ik ten slotte
zeggen aan de rationalisten of aan
degenen, die niets, niets van de
genade bezitten, wanneer zij terneergeslagen
en diep bedroefd over
het lot van het stervend Armenië,
meer dan zoovele Christenen bij
naam, die volstrekt onverschillig
zijn over het lijden van die martelaren,
hunne zusters en broeders,
en van die beleedigde kinderen,
wanneer die tot mij roepen: Waar
is, Mevrouw, waar is voor die vervolgden
voor die jonge dochters en
maagden, uwe Voorzienigheid?
Is er één enkele, wier hoofdhaar
gegroeid is, ten einde haar in de
ure des gevaars als met een mantel
te bedekken of met eene wapenrusting
te omgeven ?
Wat doen uwe Katholieke naties ?
En hebben uwe Christelijke bestuurders
ooit een woord gezegd of
een vinger verroerd om die gruwelen
te onderdrukken, waaraan de Islam
zich schuldig maakt ?
Ik spring op, wanneer de vijand
van onze geloofswaarheden zoo
spreekt en een wereld van gedachten
woelt in mij rond, en ondanks
mijne akelige ontmoediging vind ik
soms nog wraakkreten terug gelijk
vroeger in mijn kindsche dagen, of
toen ik bij mijn zoon Herman was,
die mij zoo verjeugdigde, of onder
kardinaal Lavigerie den kruistocht
tegen de slavenhandel predikende,
of toen ik mijn eerste artikelen
schreef aan "Le Bien du peuple"
over den Islam en Armenië...
Desnoods zal ik trachten een
Fransch, Belgisch, Duitsch of Engelsch
blad te vinden, onafhankelijk
genoeg om mijne woorden op te
nemen.
Aanvaard, dierbare Monseigueur,
de uitdrukking mijner beste wenschen,
Gravin Valérie de Stainlein.
Dit schrijven van eene hoogst
edelmoedige adellijke dame doet
meer en meer het schrille licht
vallen op den wreeden bloeddorst
en de diep gezonken wulpschheid
van een volk, dat uit haat tegen
het Kruis het helsche plan heeft
opgevat den laatsten Christen van
zijn gebied in zijn eigen bloed te
doen smoren. En te oordeelen, naar
de onmenschelijke feiten, die er
voortdurend in het gebied van "den
gekroonden moordenaar" plaats grijpen,
is de tijd niet meer verre dat
dit echt Turksch plan naar de letter
zal worden vervuld.
Zal het hedendaagsche menschdom,
dat zoo dweept met zijne
humaniteitsbegrippen, dat in zijne
overgevoeligheid op tal van plaatsen
asylen voor honden en katten opricht
om hun een onbezorgden ouden
dag te bezorgen, lijdelijk gedoogen
dat de Armeniërs, hunne lotgenooten,
kinderen van denzelfden Vader,
medebroeders in Christus, voortdurend
ter slachtbank worden geleid
en uitgeroeid ?
Zal datzelfde fijngevoelige menschdom
het zoover laten komen alvorens
het den wreeden en zedeloozen
Turk toeroept: Schei uit met pijnigen,
martelen en dooden van onschuldige
slachtoffers, tot hiertoe en
niet verder?
In dat onverhoopt geval zal het
nageslacht de misplaatste humaniteit
onzer dagen later met recht
brandmerken en de geschiedenis
over onze schuldige werkeloosheid
en medeplichtigheid een gestreng
oordeel vellen.
Van Winkel.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

