… / Nederland / Nederlandse pers / 1924–1940 / Het lijden der Armeniërs
Het Vaderland, 19 november 1927
Bron: Delpher
Het lijden der Armeniërs
De politieke situatie – De steunactie voor de vluchtelingen
De Armeensche quaestie, welke in de
jaren voor den grooten oorlog zoo veel en
zoo hartstochtelijk besproken werd, schijnt
nu zoo wat vergeten te zijn, althans veel
minder belangstelling te wekken dan vroeger.
Zij is echter allerminst opgelost! En
er zijn nog steeds getrouwen – Armeniërs
zelfs en vrienden van dit volk – die op de
bres staan en thans aan 't werk gaan om
de openbare meening opnieuw voor de zaak
te interesseeren.
De heer A. Krafft Bonnard uit
Genève, vice-president van de in 1920
opgerichte Ligue internationale philarménienne
en een der leiders van de Association
internationale pour le proche Ouent (Near East Relief), die reeds eenige dagen hier te lande vertoeft, heeft ons gisteren een en ander
verteld van het lijden der Armeniërs,
van hun politieke idealen en van het grootsche werk onder de vluchtelingen,
waardoor men een, zoo goed als geheel vernietigd volk wil "heropbouwen."
De Ligue internationale philarménienne
heeft voornamelijk een politiek doel.
Na den vrede van Lausanne is de
situatie echter zoo, dat er voor de verwezenlijking
der Armeensche idealen, vrijwel
niets kan gedaan worden. Men kan slechts
de openbare meening wakker houden of
weer doen ontwaken in afwachting eener
voordeeliger conjunctuur. Intusschen echter
heeft de meer uitsluitend humanitaire
Near East Relief Association des te meer
werk! Die steunactie kost echter heel wat
geld. De enkele rijke Armeniërs, die er
nog zijn, geven veel (natuurlijk zijn er onder
dit volk evengoed als onder alle andere
volkeren, ook egoïsten, maar over 't algemeen
valt er een mooie nationale solidariteit
te bewonderen). Amerika heeft ook
reeds flink geholpen, maar de taak is zoo
groot! Er leven ongeveer 150,000 Armeensche kinderen in ballingschap.
Het internationale werk der vluchtelingen ressorteert onder het internationale
bureau van den Arbeid te Genève, maar
noch de volkenbond, noch het bureau van
den arbeid beschikt over eigen inkomen. Toch kan men de kinderen – meestal
weezen – onmogelijk aan hun lot overlaten.
Wat zou dit lot wel zijn; hongerdood, ziekte of op z'n best sociale en
moreele verwildering. Wanneer men niet zorgt
voor de vluchtelingen, dan laat men een
centra van zwakheid ontstaan, die geen
weerstand kunnen bieden aan de anti-maatschappelijke
bolsjewistische propaganda;
dan verzwakt men dus de hele Westersche
cultuurwereld. Niet alleen uit humaniteit, ook uit eigenbelang moet er
gesteund worden.
In 1914 waren er 3 millioen Armeniërs in Turkije. Toen de groote oorlog begon
en Turkije zich bij de centrale mogendheden aansloot, meenden de Armeniërs dat het oogenblik der bevrijding geslagen had.
De Entente vocht immers voor de vrijheid
der kleine volkeren en had men niet juist
in de groote Ententelanden jarenlang
't hardst geschreeuwd over de verdrukking
van Armenië. Het kwam spoedig tot een
algemeene Armeensche opstand in de bergstreken van Klein-Azië langs de kusten der
Zwarte Zee; de opstandelingen werden
door de Russen gesteund. In alle
geallieerde hoofdsteden bracht men hulde aan den moed en de heldhaftigheid van het kleine Armenië. Vrijheid en
onafhankelijkheid werden beloofd en voor dit mooie
ideaal vochten de Armeniers niet alleen in
hun eigen bergen, maar als vrijwilligers
vrijwel op alle geallieerde fronten met een
bewonderenswaardigen moed en doodsverachting. Op het Westelijke front in Frankrijk hebben er 800 Armeniers gestreden;
slechts 47 hebben het einde van den oorlog
beleefd!
Intusschen speelde er zich in Rusland zelf een gruwelijke tragedie af: een volk
werd uitgemoord. In de lente van 1915 besloot
de regeering van Konstantinopel de Armeniërs te deporteeren. "Deporteeren"
was slechts een eufemisme. Duizenden werden
in hun eigen dorpen vermoord;
anderen stierven onderweg; de jonge mannen
werden in werkbataljons bij het leger
ingelijfd en velen van hen zijn door de Turksche soldaten afgemaakt; de meisjes
werden aan de soldaten overgeleverd
als kazerneslavinnen; duizenden baby's werden
gerooft om in het Mohammedaansche
geloof te worden opgevoed. Men heeft uitgerekend, dat 1½ millioen Armeniers in 1915
en 1916 vermoord zijn: de helft van het
heele volk! Over de Russische grens
konden er ongeveer 300.000 ontkomen. De
rest had een rampzalig bestaan; berooft
van alle bezit, verweesd of verweduwd zwierven zij door bet land, steeds vol angst
voor den Turkschen dood. Na de zegepraal
van Mustapha Kemal werden zij uit het land verjaagd met de talrijke andere niet-Turksche bewoners van Klein Azië.
Zonder land, zonder enig bezit, zonder familie,
de kinderen zelfs zeer dikwijls zonder
naam, werden zij in de vluchtelingenkampen
opgenomen. Wat moet er nu echter uit dit verjaagde volk groeien, zoo het niet
in staat gesteld wordt weer normale levensomstandigheden
te veroveren.
In Zwitserland heeft de steunactie zich
vooral tot taak gesteld, die intellectueele
krachten te vormen zonder welk een volk niet leven kan: artsen, juristen, boekhouders,
ingenieurs enz. enz. Zoodra een der jongens of meisjes afgestudeerd is, wordt
hij naar de centra der emigratie gezonden, vooral naar Syrië waar eenige
duizenden Armeniërs wonen, maar waar de leidende
krachten nog vrijwel volkomen ontbreken.
Maar alweer: er is daartoe veel geld noodig!
De heer Krafft Bonnard gaf ons een zeer
belangwekkend overzicht van de politiek
der groote mogendheden inzake Armenië
sinds den wapenstilstand. ledereen herinnert
zich trouwens hoe er in 1920 te Sèvres
een Armeensche staat gesticht werd. Turkije en al de Ententemogendheden
onderteekenden het plechtige document, maar
het bleek al heel spoedig, dat men slechts
een nieuwe "scrap of paper" gemaakt had,
en toen de Turken een paar jaren later als
overwinnaars naar Lausanne kwamen, kon
er helemaal geen sprake meer zijn van
den Armeenschen staat uit het verdrag van Sèvres. Intusschen is de republiek Erivan,
die in Mei 1918 door de Armeniërs uit
Rusland gesticht werd, weliswaar blijven
bestaan, maar slechts als een lid der federatie
van sovjetstaten. Ter wille van het Turksche bondgenootschap, heeft Moskou
trouwens nog een stuk van het Armeensche gebied in Rusland aan de Turken afgestaan.
Wat zal de toekomst brengen? De Turksche
gedelegeerden te Lausanne verklaarden,
dat er voor hen geen Armeensche quaestie meer kan bestaan. De Armeniërs,
die in het land willen blijven, moeten Turken worden. De natuur laat zich echter op
zulk een wijze niet dwingen. Naarmate Turkije zich moderniseert en dus meer contact
krijgt met Europa en Amerika – wie
weet, of het niet spoedig tot den Volkenbond zal wenschen toe te treden – spreekt
het vanzelf, dat dit land ook meer rekening
zal moeten houden met de openbare
meening. Deze vormt voorloopig het eenige
verdedigingsmiddel van het Armeensche volk.
Aldus de heer Krafft-Bonnard. Wij zouden er willen aan toevoegen, dat het
idealisme en de werkkracht van een man als hij zelf is, ook nog groote waarde
hebben in den strijd voor de rechten van een
onderdrukt volk. Of de Armeniërs ooit hun
ideaal zullen verwezenlijkt zien, kan thans
natuurlijk niet voorspeld worden. Franklin-Bouillon, de Turcophile Franschman, een
der eerste Franschen, die naar Angora
reisde, zeide te Lausanne tot den heer Krafft Bonnard: "Als er van Armenië sprake is, dan moeten alle volkeren groot
en klein hun gruwelen onderzoeken; wij
hebben allen gezondigd; Armenië was een pion op het schaakbord der politiek."
Men weet hoe het pionnen gewoonlijk vergaat... maar misschien komt er nog wel
eens een tijd, dat een of andere groote
mogendheid juist met dien pion groot spel wil spelen.
Intusschen is er echter het groote werk
tot leniging van den nood, tot opvoeding
van de weezen. Albert Thomas en Nansen
hebben den heer Krafft Bonnard geraden
naar ons land te komen. Zijn reis zal wel
niet te vergeefs ondernomen zijn.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

