… / Nederland / Nederlandse pers / 1924–1940 / Ingezonden – Armeensche christenen in nieuwen nood
Het Vaderland, 6 december 1935
Bron: Delpher
Ingezonden – Armeensche christenen in nieuwen nood
Op Zondag 8 December as. wordt over de
geheele wereld door de Vrienden der Armeniërs
de Dag van den gulden Regel gehouden, een
dag van gebed en offer voor Armenië. De bedoeling
van dien dag is iets op te geven en het
bedrag, dat daardoor wordt bespaard, voor de
lijdende Armeensche Christenen te bestemmen,
indachtig aan het woord van Jezus: "Alle dingen
dan, die gij wilt dat de menschen zouden
doen, doet gij hun ook alzoo". (Matth. 7, 12).
Waarom deze dag thans meer dan ooit onze
aandacht verdient? Daarover schrijft een onzer
zendelingen:
Aleppo, 1 November 1935
Wij staan hier voor een zeer moeilijken winter.
Veel moeilijker dan de drie winters, die ik reeds
te Aleppo doorbracht. Waarom dit zoo is?
1. Omdat de menschen niet hunne huizen kunnen
bouwen en daarbij nog het dagelijksch brood kunnen verdienen.
2. Omdat de meeste families het beste, wat zij
bezaten, moesten verkoopen, om in staat te zijn
het nieuwe huis te bouwen. Daar de vluchtelingen,
zooals vanzelf spreekt reeds geen overvloed hebben,
kan men zich voorstellen, welke moeilijkheden
thans zijn ontstaan. De huizen zijn leeg geworden.
3. De menschen zijn door de vele ontberingen en
de voortdurende vermoeienissen zwak en uitgeteerd.
Te groot was het uiterlijk leed, te drukkend de last,
die de ziel bezwaarde. Onder deze omstandigheden
zijn zij vatbaar geworden voor ziekten en
t.b.c. loert in iederen hoek, om hen te bespringen.
Toen ik van een tocht naar de nieuwe huizen
terugkwam, was ik innerlijk vermoeid en aangegrepen.
Kunnen onze vrienden het zich indenken,
wat men bij zulk een gang doormaakt?
Wat men zag en hoorde, prent zich diep in de
ziel en wij kunnen de tafereelen, die men aanschouwde,
niet meer kwijtraken. Het behoort tot
het grootste zielelijden, machteloos te staan tegenover
zulk een nood. Hoe zwak en arm men in
zichzelf is merkt men nooit zoo duidelijk, dan wanneer
men zich onder de armsten der armen
bevindt. Wij, die al deze treurige gebeurtenissen
hier meebeleven, voelen het steeds duidelijker, dat
wij uit eigen kracht niets kunnen doen. Onze nietigheid
en onbekwaamheid staan ons duidelijk voor
oogen. Alle lasten mogen wij echter neerleggen
voor den troon van God. Wanneer dit niet het geval
zou zijn, dan zouden wij zelf reeds te gronde
zijn gegaan.
Dat deed ik dan ook bij mijn terugkeer van
dezen tocht en hoe inniger ik al dezen nood aan
God vertelde, hoe lichter werd het mij om het hart,
zóó licht, dat wij weer bekwaam werden
gemaakt, om nieuwe ellende te kunnen en te mogen meeleven.
In Gods tegenwoordigheid werd het mij
duidelijk alles, wat ik op dezen tocht had
beleefd, aan onze vrienden te moeten mededeelen. Welk
een troost is het toch, dat Gij, lieve Vrienden, met
ons lijdt en dat gij achter ons staat. Daardoor
ontvangen wij kracht en moed om verder te gaan,
ook wanneer de moeilijkheden zich als de bergen
voor ons opstapelen.
Hier heerscht bittere, bittere armoede. Ik zou
willen, dat u die uitgeteerde, jammerlijke
gestalten zoudt kunnen zien, die tot ons komen, in
de hoop bij ons hulp te vinden. Hoevelen moeten
wij echter zonder hulp wegzenden, omdat wij
niet over voldoende middelen beschikken,
om al dezen nood te lenigen. De armen echter, die
wij een bewijs in de
hand geven, dat recht geeft op een paar pond
meel, weten niet, hoe hun dank uit te spreken.
Overgelukkig gaan ze naar huis, om den honger
hunner kinderen te stillen.
Ondanks het feit dat wij heel wat hebben kunnen
helpen en en ook van andere zijde hulp werd verleend
zijn er alleen in de nieuwe wijk nog wel een 150-tal
huizen, die niet konden worden afgebouwd
en niet eens een dak hebben. De families,
die daarin leven, zijn zóó arm, dat zij
onmogelijk het geld voor het dak
kunnen opbrengen. Wat zou het toch heerlijk zijn,
wanneer wij zoo zouden kunnen helpen,
dat al deze menschen een dak kregen, zoodat, wanneer de
strenge winter begint, zij niet onder den blooten hemel
moeten vertoeven. Wanneer wij per familie f 10,–
rekenen voor het dak, dan beteekent
dit reeds een groote hulp. Huisvaders en moeders staan
handenwringend voor onze deur.
Reeds 's morgens heel in de vroegte wordt er op onze
deur geklopt, hun beden om hulp zijn zóó
aangrijpend, dat men het bijna niet waagt te zeggen,
dat wij thans niet kunnen helpen, omdat onze
middelen reeds zijn opgebruikt.
De eenige troost, dien wij hun dan kunnen geven,
is, dat God misschien door onze vrienden onze leege
handen wil vullen en dan, ja dan, zullen wij
ook aan hen denken... Hoe dikwijls gebeurde het niet,
dat dezelfde menschen 's avonds laat weer voor onze
deur stonden, omdat er misschien in dien
tusschentijd hulp uit Nederland zou kunnen gekomen.
Wij konden hen echter toch niet helpen.
En nu is mijn innige bede aan allen, die dit lezen:
Denkt aan onze armen, die onder
moeite en nood zich een nieuw tehuis
moeten veroveren, die thans nog in onafgebouwde huizen
wonen, die honger en kou lijden, wanneer naastenliefde
zich niet over hen ontfermt.
Het gironummer van de secretaresse van het
Hoofdbestuur der "Morgenland-Zending", mej.
Cato de Witte te Utrecht is 18757.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

